Mijn vader, dierenarts en vlak voor zijn pensioen, vroeg me onlangs voor het eerst of ik wilde helpen bij een chirurgische ingreep. Onnadenkend als ik ben, zei ik natuurlijk meteen ja. Maar al snel sloeg de schrik me om het hart: zul je zien dat ik flauwval of moet overgeven. Ik weet niet goed wat me bezielde. Ik stelde me een explosie van bloed en ingewanden voor.

En daarna, tot mijn eigen verbazing, voelde ik een enorme fascinatie opkomen: voor de precieze, beheerste handelingen van iemand die al veertig jaar lichamen opensnijdt en weer zorgvuldig sluit — een vaardigheid die hij zich door jarenlang geduld volledig eigen heeft gemaakt.

Opeens viel het kwartje: dit deed hij dus al die jaren toen hij mijn balletuitvoeringen, pianoconcerten en al die andere dingen uit mijn jeugd miste. Ja, ik begreep het: dít was belangrijk voor hem.

En daar stond ik dan, boven het opengesneden lijfje van een kat, vol ontzag en liefde, terwijl ik met een pincet een bloedvat dichthield. Ik vroeg hem: „Ga je dit straks niet missen?”

Mijn vader, niet bepaald iemand die gemakkelijk over zijn gevoelens praat, keek me strak aan (en ja, sorry voor het cliché, maar zo ging het echt) en zei zacht maar woedend: „Ik heb twintig jaar weggegooid!” Ik kon alleen maar knikken. Want het klopt: zolang ik me kan herinneren verlangt hij al naar zijn pensioen. Voor mij zijn die gemiste schooluitvoeringen allang niet meer belangrijk, maar hij draagt ze nog altijd met zich mee. Het leven dat hij miste. Dat andere leven, dat nooit geleefde leven. En dat was óók zijn leven.