Een uur of acht, in een Amsterdamse tram. Een vrouw van begin twintig heeft haar telefoon uitgestrekt voor haar mond (ook wel bekend als ‘toastholding’ of crackerbellen) en kletst er vrolijk op los. Haar vriendin aan de andere kant van de lijn zit ook in de tram. Dat is overduidelijk, want hun gesprek wordt op luidspreker gevoerd. Meerdere scheve blikken gaan naar de vrouw in kwestie, die niet door lijkt te hebben dat iedereen haar gesprek kan volgen. Of ze heeft het wel door, maar het interesseert haar niet; dat kan ook.

Het wordt ‘bare beating’ genoemd; in het openbaar naar muziek luisteren, filmpjes kijken, berichten afspelen of telefoongesprekken voeren, op een manier dat iedereen het kan horen. Dat roept veel ergernis op in toch al overvolle publieke ruimtes en kantoortuinen. Natuurlijk kan het zijn dat niet iedereen doorheeft hoe ver het geluid van telefoons draagt, maar dan nog. Immers: bus, bioscoop en werkplek zijn geen woonkamer, maar gedeelde ruimtes. De sociale afspraak is dan om rekening met elkaar te houden.

Voelt dit als ‘klein bier’, in een wereld die bol staat van de herrie? Luidruchtige verbouwingen, buren die voortdurend naar muziek met een intense bas luisteren, wonen op een plek waar lawaaierige evenementen elkaar in rap tempo opvolgen; het is allang geen uitzondering meer. En er is in de maatschappij nog weinig ruimte voor erkenning van de fysieke last en de mentale frustratie die lawaai kan veroorzaken, laat staan voor het feit dat ook dit soort minder harde geluiden behoorlijk veel ergernis kunnen oproepen.