‘Een verhaal over zien en niet zien’ luidt de ondertitel van Bernke Klein Zandvoorts essaybundel Oogsprong. ‘Over gezien worden en niet gezien willen worden’ had ook gekund. Haar poëzie is ‘een ode aan de waarneming’ genoemd. De essays in Oogsprong zijn een onderzoek naar hoe die waarneming werkt – en niet werkt.
Vroeg in de bundel vergelijkt Klein Zandvoort de stralen van licht die we over de wereld werpen als we kijken met de draden van een spinnenweb, die op hun beurt zijn als de draden die de schrijver weeft en afloopt, helemaal tot de rand van het web en dan weer terug naar het hart. Een dikke draad die door deze essays heen loopt, is het verhaal van Klein Zandvoorts oudere nicht, die haar oog verliest aan een tumor, waarna de kanker toch terugkomt en ongeneeslijk blijkt. Het brengt de auteur, die tegelijk vriendin, mantelzorger en huisopruimer is, op het pad van de wetenschap van het kijken.
We leren over het oog en zijn sprongen, over kunstogen en hoe die gemaakt worden. Over blindheid en waarnemen zonder zicht, dat eerder een soort voelen is. Over het gevoel dat iemand naar je kijkt. Maar ook over fotografie en de hallucinaties van Hildegard van Bingen. Onderwijl reflecteert ze op de geschiedenis van haar familie, vooral die van de vrouwen, zoals haar overgrootmoeder die als verloskundige ’s nachts heel Amsterdam doorfietste.







