Het nieuwe, bloedstollende boek van Thomas Harding deed me weer eens beseffen hoe moeilijk het voor een historicus is om de waarheid te achterhalen. De Britse schrijver, die eerder bestsellers publiceerde over de jacht op Auschwitz-commandant Rudolf Höss en de geschiedenis van het Berlijnse buitenhuis van zijn Joodse familie, vertelt in De zaak Einstein. Hitler, Mussolini en de moord op een gezin het verhaal van ingenieur Robert Einstein, die tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn vrouw en twee dochters op een landgoed in de buurt van Florence woonde. Als Jood was hij in het Italië van Mussolini relatief veilig, zeker in de zomer van 1944 toen de Geallieerden het land al bijna in handen hadden. Maar Robert had pech, want hij was de neef van natuurkundige Albert Einstein, een verklaarde vijand van Hitler. Die familieband vormt de basis van Hardings boek.
Begin augustus 1944 staat er ineens een groep Duitse militairen bij de Einsteins op de stoep. Hun commandant, die ook de naam van Albert Einstein laat vallen, vraagt waar de ingenieur uithangt. Maar Roberts vrouw Nina en hun dochters Luce en Cici weten dat niet. Nadat een paar weken eerder Duitse soldaten ook al naar hem vroegen, is hij de bossen in gevlucht. Niemand weet waar hij sindsdien is.






