De opgraving van het badhuis staat hoog in de top drie van mooiste opgravingen van Erik Verhelst. „En ik zit al decennia in het vak”, benadrukt de 55-jarige archeoloog. Hij staat tussen de overblijfselen van Ulpia Noviomagus, rond 100 na Christus gesticht. De Romeinse stad lag een paar honderd meter westelijker dan het huidige Nijmeegse stadscentrum.

Verhelst draagt een oranje bouwhesje met de beeltenis van keizer Postumus (260-269 na Chr.). Onder het hoofd van de keizer staat de tekst ‘Ulpia plus ultra’ (Ulpia [wordt] steeds verder [opgegraven]). Bij het opgraven, dat afgelopen september startte, worden veel munten met zijn beeltenis gevonden – bewijs dat de stad tot ver in de derde eeuw na Christus bruiste.

Verhelst kent de Romeinse kant van Nijmegen goed. In 1993 hielp hij als derdejaarsstudent mee aan het opgraven van een dubbeltempel, gewijd aan Mercurius en Fortuna, op het Maasplein. Nu begeleidt hij als projectleider zelf studenten. Volgende week springen drie Groningse archeologiestudenten bij. Het is een komen en gaan van stagiairs, zegt hij.

Op de bouwplaats – hier moet een groot appartementencomplex met uitzicht op de Waal verrijzen – werken archeologen en bouwvakkers op tien meter afstand van elkaar. In een bouwkeet zijn constant twee dataverwerkers actief. Vondsten worden ingemeten met GPS en gedocumenteerd met fotogrammetrie. In de jaren negentig ging alles nog met potlood, vertelt Verhelst. „Dat ging ook best wel snel hoor.”