Er waren eens vier zussen. Tussen de oudste en de jongste zaten zestien jaren. Precies ertussenin de andere twee, een tweeling. Ja, en dan waren er ook nog vier broers, maar over hen gaat het hier niet. De zussen had ik uitgenodigd naar Sitges te komen, het Catalaanse kustplaatsje waar mijn verkering woont en waar ik inmiddels ook behoorlijk veel tijd doorbreng. Ze waren onmiddellijk door het dolle, binnen een etmaal was de reis geboekt en kon de voorpret in de appgroep ‘Sitges Sisters’ beginnen.

Ik kreeg spontane flashbacks van die keer, op de kop af veertig jaar geleden, toen ze met z’n viertjes naar Brussel waren gekomen. Ik werkte daar als au pair en terwijl mijn werkgevers op vakantie waren, nodigde ik hen uit voor een logeerpartij. We aten verbrande pizza, kletsten tot diep in de nacht en sliepen op matrassen in de woonkamer. U moet weten, de oudste van deze zussen is mijn moeder. Maar in gezelschap van mijn tantes is ze dat net iets minder. Of in elk geval betrap ik mezelf erop in deze context anders naar haar te kijken; meer als multidimensionaal mens.

Dat laatste komt natuurlijk door alle verhalen over vroeger die ik mijn tantes steevast probeer te ontfutselen als ik ze zie. Ook de afgelopen dagen die ze bij ons in Spanje doorbrachten waren gevuld met herinneringen. We filosofeerden erover hoe ze feitelijk in verschillende gezinnen waren opgegroeid. Mijn moeder werd geboren in het eerste oorlogsjaar, een dromerig meisje zonder enig talent voor huishoudelijke zaken. Toch werd ze geacht mijn oma te helpen en mocht ze niet gaan studeren. De tweeling was jong in de wederopbouwtijd en had, hoewel beperkt door gereformeerde jarenvijftigmoraal, iets meer vrijheid en keuzemogelijkheden. De jongste, een kind van de jaren zestig, bepaalde pas echt haar eigen pad.