Op de glanzende glazen terrastafel met uitzicht op de Tyrreense Zee die dienstdoet als mijn bureau, ligt een al even glanzende paarszwarte bal, formaatje flinke kokosnoot. Ik kocht haar gisteren op de Mercato di Ballaró, de oudste markt van Palermo. Een melanzane van bijna driekwart kilo. Jazeker, ze hebben ook ‘gewone’, langwerpige aubergines hier. Maar when op Sicilië, en when making caponata, nu ja, ze smeekte erom gekocht te worden. Dat ik de rest van de dag door Palermitaanse straten en steegjes slenterde met een bungelend, steeds zwaarder voelend plastic zakje aan mijn arm, moest ik haar maar vergeven.
Deze ronde soort is in Nederland jammer genoeg alleen bij groentejuweliers en Italiaanse delicatessenzaken te koop. Ze heet officieel melanzane tonda viola en is geliefd om haar compacte vruchtvlees en zoete smaak. Het is in wezen de perfecte aubergine voor wie niet van aubergines houdt, want dat compacte kun je ook lezen als ‘niet sponzig’ en dat zoete als ‘niet bitter’. Terwijl sponzig en bitter precies de eigenschappen zijn die de solanum melongena tot een omstreden groente maken. Of misschien is onbegrepen een beter woord. In elk geval moet je weten wat ermee te doen om haar te kunnen waarderen. Zoals Parool-columnist Sylvia Witteman ooit schreef: „Aubergine is een groot paars misverstand.”








