Het allereerste waar ik aan denk als ik weet dat ik op reis ga, is eten. Gewilde restaurants boek ik maanden van tevoren, en mijn hoofd raakt vol van gedachten aan alles wat ik wil eten. Bij Marokko verheug ik me standaard op warme msemen met honing en muntthee bij het ontbijt en daarna alle andere geurige favorieten uit die keuken. Bij Japan op de uitmuntende, geestverruimende sushi en de ramen van de fantastische keten Afuri. Bij Frankrijk kijk ik uit naar de patisserie. En toen we vorige zomer Jakarta zouden aandoen, verheugde ik me niet op één specifiek gerecht, maar op de heerlijke kruidigheid die zo typisch is voor die geweldige keuken.

We boffen in Nederland met Indische en Indonesische restaurants, maar zo bijzonder als in Indonesië wordt het zelden. Niet per se omdat de chefs minder goed zijn, maar omdat alles een rol speelt bij de totstandkoming van een gerecht: de lokale grond, het water, de zon.

Jakarta bruist en is een stad van tegenstellingen, waar schrijnende armoede bestaat pal naast uitzinnige rijkdom en simpele eetstalletjes te vinden zijn vlak bij gastronomische restaurants waar de elite zich tegoed doet aan dure, creatieve menu’s. August, bijvoorbeeld, dat op de lijst van Asia’s 50 Best Restaurants staat. En het superieure Su Ma, dat tot dit jaar onder leiding stond van Rachel Tjahja Sasabone en waar ik een van de beste maaltijden van 2025 at.