Op een hete dag vlak voor het WK voetbal begint, woelt Vanessa Gámez de grond om op een groot braakliggend terrein in Mexico-Stad. Hier dumpen omwonenden hun afval, maar worden – zo wordt tenminste gezegd – ook lichamen achtergelaten. Met veel kracht prikt Gámez een lange stok in de grond, trekt die er weer uit en ruikt aan de punt. Geen geur van menselijke resten. Ze loopt verder.

Sinds juli 2025 zoekt Gámez naar haar negentienjarige dochter Ana Amelí. Op een dag ging de sportieve studente wandelen in een natuurgebied naast Mexico-Stad. Ze kwam niet terug. Gámez gaat regelmatig mee op dit soort zoektochten, met een groep madres buscadoras, zoekende moeders. Altijd draagt ze een T-shirt met daarop een foto van haar dochter. Een glimlachend meisje, met daarboven in dikke letters: donde está? Waar is ze?

Gámez’ dochter is een van de 130.000 Mexicanen die als vermist geregistreerd staan, en een van de vele gezichten die in heel Mexico op vermissingsposters staan. Dagelijks verdwijnen in het Noord-Amerikaanse land tussen de dertig en veertig mensen. Ze worden ontvoerd door criminelen, ingelijfd in criminele organisaties, of verhandeld, bijvoorbeeld voor sekswerk of orgaanhandel.

Anderen worden vermoord, omdat ze worden aangezien voor leden van een rivaliserende bende. Ze worden gedumpt in massagraven of hun lichamen worden verbrand.