Wat het was, was nog niet helemaal duidelijk, maar dat het wat was, stond buiten kijf. Niet dat de recensies onverdeeld positief waren bij verschijning van De eeuwige jachtvelden (1995), het debuut van de Groninger schrijver Nanne Tepper (1962-2012). Maar de ingenieus vormgegeven liefdesgeschiedenis tussen een broer en een zus werd herkend als het bewijs van „een niet gering talent als verteller en als stilist” (de Volkskrant) en als een boek waar de recensenten moeiteloos de verwijzingen en invloeden uit konden pikken: Salinger, Reve, Chateubriand, Poe, Mahler en – natuurlijk, natuurlijk – Nabokov; de grote held van de auteur.

„Deze roman zet de nietsvermoedende lezer ongenadig op het verkeerde been”, schrijft Teppers biograaf Lodewijk Verduin (1994, slechts een jaartje ouder dan de roman dus) in het hoofdstuk dat hij aan het spektakeldebuut wijdt. Onbedoeld geeft die zin ook de tragiek van Teppers schrijverschap weer, want wie meende dat hier een nieuw groots hoofdstuk in de Nederlandse literatuurgeschiedenis was begonnen, kwam bedrogen uit.

In 1998 volgden nog de bibliofiel uitgegeven novelle De avonturen van Hilliebillie Veen en de tweede roman De vaders van de gedachte, maar tot een volgende roman kwam Tepper daarna niet meer: zijn verhaal werd het verhaal van de schrijver die niet meer tot schrijven kwam. In 2012 maakte hij, uitgeput, een einde aan zijn leven. Drie jaar later verscheen De kunst is mijn slagveld, een indrukwekkende verzameling brieven, die trouwens óók vrijwel allemaal waren geschreven in de paar jaar dat de romancier Tepper bloeide.