„Wir schaffen das”, zei toenmalig bondskanselier Angela Merkel op 31 augustus 2015 over de vluchtelingencrisis die Europa destijds in zijn greep hield. Daarmee bedoelde ze: Duitsland is een sterk land, honderdduizenden migranten opvangen en onderdak bieden lukt ons wel. Maar lang hield ze dat niet vol. Door toenemende zorgen over druk op de woningmarkt en sociale voorzieningen en door incidenten zoals de aanslag op de Berlijnse kerstmarkt in 2016 veranderde de kijk op vluchtelingen en asielzoekers en verhardde het migratiedebat in Duitsland.
Hetzelfde gebeurde in vrijwel alle Europese buurlanden: in Zweden groeide de rechts-populistische partij Zweedse Democraten fors na een campagne rondom strenge immigratiemaatregelen, Italië sloot meermaals havens voor reddingsschepen en Hongarije bouwde metershoge grenshekken. Ook tussen de landen namen de spanningen toe, met name tussen noordelijke en zuidelijke lidstaten. Zo mopperden landen als Nederland en Duitsland dat er te veel mensen werden toegelaten tot de Europese Unie, terwijl grenslanden als Spanje, Italië en Griekenland klaagden over gebrek aan solidariteit. Zij moesten immers de meeste migranten en asielzoekers opvangen.
In een poging die onenigheid weg te nemen, werkte de Europese Commissie jarenlang aan een asiel- en migratiebeleid voor de hele Europese Unie, dat uiteindelijk op 14 mei 2024 werd aangenomen door de Raad van de Europese Unie (de ministers van alle lidstaten). Lidstaten kregen daarna ruim twee jaar de tijd zich voor te bereiden op het pakket maatregelen, bestaande uit negen verordeningen en een richtlijn die het asielbeleid in alle lidstaten harmoniseren. De afgelopen weken werd in vele lidstaten nog gehaast wetgeving doorgevoerd, soms per decreet, want op 12 juni 2026 wordt het Europese asiel- en migratiepact volledig van toepassing in alle lidstaten.













