Wat verklaart het oprukken van radicaal-rechts in Europa? Antwoord A: veel mensen zijn nou eenmaal klaar met immigratie. Antwoord B: veel mensen zijn nou eenmaal racistisch. Antwoord C: het ligt allemaal een stuk gecompliceerder.

In haar nieuwe boek De symfonie van onvrede construeert politicoloog Catherine de Vries een uitgebreide variant van antwoord C. Bouwend op onderzoek uit het Verenigd Koninkrijk, Italië, Frankrijk, Duitsland en Nederland legt ze de opkomst van radicaal-rechts in verband met het terugtrekken van de staat vanaf de neoliberale jaren tachtig. Buslijnen verdwenen en gemeenteloketten werden gesloten; burgers bleven achter met een gevoel van verlies en miskenning. Politici maakten migranten tot de schuldigen voor alles wat we kwijtraakten, en zo stegen radicaal-rechtse partijen tot grote electorale hoogten.

Als antwoord op een multiplechoicevraag op een tentamen voor politicologiestudenten zou het bovenstaande verhaal te lang zijn, maar als beschrijving van de complexe achtergrond van de opmars van radicaal-rechts is het boek van De Vries zeker lezenswaardig. Mooi is dat ze haar academische betoog verbindt aan haar behoefte om te begrijpen waarom haar vader de laatste jaren van zijn leven op de PVV stemde. Wil de overheid het vertrouwen van mensen als hij terugwinnen, oppert De Vries, dan is het sleutelwoord ‘nabijheid’. Zo pleit ze voor publieke investeringen en fysieke loketten bemand door warmbloedige wezens. „De staat weer zichtbaar maken op de kruispunten van het dagelijks leven”, zo lees ik in de epiloog.