Radicaal rechts is in zijn revolutionaire fase beland. De fase waarin geweld een politieke optie wordt en het parlement niet langer wordt gerespecteerd als wetgevend orgaan, maar louter nog wordt gebruikt als een tribune om de ander de mond te snoeren.
Hoewel er in talkshows met verbazing en verontwaardiging over werd gekeuveld, kon je de klok erop gelijkzetten dat dit stadium zich vroeg of laat zou aandienen. Elke radicale politieke beweging komt op een zeker moment voor de vraag te staan of ze moet accommoderen of juist escaleren. Benito Mussolini koos in 1922 voor een coup via de straat. Adolf Hitler loste het dilemma na zijn mislukte putsch een jaar later op door een dubbelzinnige ‘legaliteitskoers’ te varen: binnen de grenzen van de wet een electorale macht opbouwen maar tegelijkertijd de SA-knokploegen loslaten op tegenstanders.
Bijna twee derde van de FVD-kiezers walgt van het systeem en een kwart ziet er wel wat in om de boel hardhandig omver te werpen
Ook links heeft zulke problemen gekend. Na de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld, toen de bolsjewieken met geweld de macht in Rusland grepen, waarna de socialistische Internationale in twee fundamenteel verschillende stromingen uiteenviel. Of in de jaren zestig toen links wel een succesvol antwoord vond op het ‘ficken und schießen’ van de studentenbeweging rondom de Rote Armee Fraktion.







