Klimaatbeleid lijkt op een toneelvoorstelling die verloopt volgens een vast script. De wetenschapper kijkt in zijn glazen bol en legt uit wat de wereld te wachten staat. Vaak zijn dat waarschuwingen dat het er niet best uitziet en dat het de hoogste tijd wordt voor maatregelen. De politicus voert die met tegenzin uit, maar hij beweert dat hij niet anders kan omdat de wetenschap het voorschrijft. De politicus vreest namelijk de toorn van de burger. Dat is de toeschouwer die in dit theaterstuk ook een actieve rol heeft en die zich niet zomaar allerlei vrijheden, comfort en luxe laat afnemen.

Belangrijke bijrollen zijn er voor de milieuactivist, die boos roept dat er veel te weinig gebeurt, en voor de ceo van de grote multinational die graag zijn steentje bijdraagt, als zijn concurrentiepositie maar niet in gevaar komt. Er zijn ook figuranten. Zoals de ingenieur, die het klimaatprobleem met een simpele oplossing te lijf wil gaan. En de querulant, die al dat gepraat over opwarming totale onzin vindt. Dan is er nog de journalist, de recensent van de voorstelling, die zelden meer dan twee ballen uitdeelt omdat hij het script zwak vindt en de ontknoping niet overtuigend.

Zo gaat het al zo’n dertig jaar, zonder dat het klimaat er veel mee opschiet. En intussen groeit bij mensen de angst dat ze de greep op hun leven verliezen door al dat milieubeleid, dat ze er sociaaleconomisch alleen maar op achteruitgaan, dat ze van alles moeten inleveren en zo langzamerhand leven „op het randje van de ellende”.