De voormalig directeur van Milieudefensie zit aan zijn bureau op zijn nieuwe werkkamer in IJmuiden. Hij kijkt naar buiten. Een landschap aan pijpen, buizen, stoom en rook, bruggen, vierkante gebouwen zonder ramen, kleine figuurtjes beneden, de glinsterende zee in de verte.
Hij is hier nu al een poosje. De storm is wat gaan liggen, zo voelt het inmiddels. Boze mails, gekke telefoontjes, huilende collega’s van vroeger: hij hoort niets meer. Dat wist hij wel, hij is niet van gisteren. Hij weet als geen ander hoe de hazen lopen. Hij weet hoe verontwaardiging op kan vlammen, sterker nog, hij wist hoe hij dat vuurtje aan kon steken. Maar hij weet ook hoe snel, en zeker in deze verrotte, wrede wereld, de aandacht wegzakt, verdwijnt, overgeheveld wordt naar een andere schande.
Dat is dan ook waarom hij is gegaan. Hij was moegestreden. Het is niet leuk om altijd maar gezien te worden als die man met die malle hoed. Zelfs toen hij Shell verpletterde werd hij aangekeken alsof hij een balsturig kind was. Het was, zo voelde hij aan alles, tijd om een man onder mannen te worden, om de moshpit in te duiken, om het beest van binnenuit te bevechten. Er was één iemand die het voor hem opnam. Een econoom, in de Volkskrant, die hem een held noemde. Het had hem niet echt aangestaan hoe er over zijn voormalige strijdmakkers werd gesproken, alsof iedere oud-collega een hysterische klimaatkrijser was geweest maar, aan de andere kant, die wanhopige onmacht, dat eeuwige verliezersgevoel, was wel precies de reden dat hij deze stap had gezet.














