In maart 1992 verscheen in The New York Times een interview met Mohammed Najibullah, de president van Afghanistan, of wat er nog van het land over was. Jarenlang was hij een marionet van de Sovjets en daarmee de meest gehate man in Afghanistan. Na de terugtrekking en ineenstorting van de Sovjet-Unie viel Moskou weg als sponsor en werd Najibullah aan zijn lot overgelaten. Westerse landen wilden niets met hem te maken hebben, rebellen van de moedjahedien stonden aan de poorten van Kabul.

In een poging om zijn vege lijf te redden, waarschuwde hij in de Amerikaanse krant voor het oprukkende islamitisch fundamentalisme. Afghanistan zou volgens hem het „centrum voor terrorisme” worden en het „centrum van de wereldwijde drugssmokkel”. Het was aan dovemansoren gericht. Afghanistan werd een godvergeten plek (waar God overigens allesbehalve vergeten was). Een land dat de rest van de wereld meende te kunnen negeren. Een dure vergissing.

Lotfi El Hamidi is redacteur bij De Groene Amsterdammer, en was tussen 2023 en 2025 chef van de opinieredactie van NRC. Dit is een bewerking van zijn nieuwe voorwoord uit zijn boek Generatie 9/11 (Pluim), deze maand in herziene editie verschenen.

De woorden van Najibullah bleken profetisch, al maakte hij het zelf niet mee. Bij de verovering van Kabul door de Taliban in 1996 werd hij gevangengenomen, gemarteld en geëxecuteerd. Zijn verminkte lichaam hing samen met dat van zijn broer twee dagen aan een verkeerstoren in het centrum van de hoofdstad. „De hele twintigste eeuw hangt nu aan een touw in Kabul”, stond boven een huiveringwekkende reportage van romancier Denis Johnson in mannenblad Esquire, inclusief foto. Johnson zag op dat verkeersplein de losse eindjes van de Koude Oorlog, aan elkaar geknoopt door religieuze extremisten die nog maar net waren begonnen aan hun heilige oorlog.