Op de vierde dag dat Khalid Sheikh Mohammed door de Amerikanen onderworpen wordt aan een ‘verzwaard verhoor’, begint hij hun martelmethode te doorzien. Het Al-Qaida-kopstuk en zelfverklaarde brein achter ‘11 september’ is op 1 maart 2003 gevangengenomen in Pakistan. Vanaf 10 maart begint inlichtingendienst CIA hem in een geheim detentiecentrum in Noord-Polen te waterboarden. Vastgebonden op een plank en met een doek over zijn gezicht krijgt hij water in zijn mond gegoten, wat hem het gevoel geeft te verdrinken. Tussen die sessies door stellen ze hem vragen.
Maar op 13 maart begint de Pakistaan door te krijgen dat zijn beulen wel degelijk aan regels gebonden zijn. „Wanneer het watergieten de vastgestelde tijdslimiet naderde, begon hij zijn twee wijsvingers in de lucht te steken”, schrijven CIA’ers die dag in een memo aan hun hoofdkwartier in Langley. „Dit gedrag wijst erop dat het subject alert blijft en vertrouwd is geraakt met sleutelaspecten van het proces.” Hoewel hij „schreeuwt en kronkelt” als hij wordt vastgebonden, „lijkt hij ook vastberaden de plank te tolereren en te stellen dat hij niets te zeggen heeft [over nieuwe terreurcomplotten op Amerikaanse bodem]”.
Een kwart eeuw na 11 september geldt Khalid Sheikh Mohammed (KSM) als de belangrijkste nog levende hoofdverdachte van de jihadistische massamoord op 2.977 mensen in New York, Washington en Pennsylvania. Na hem drie jaar te hebben vastgehouden in meerdere clandestiene ‘black sites’ in Azië en Europa, detineert het Amerikaanse leger hem sinds 2006 op marinebasis Guantánamo Bay in Cuba.














