Het was voor veel Europeanen vanzelfsprekend om de straat op te gaan, naar de kerk, of een minuut stilte in acht te nemen. Solidariteit met de VS kwam die week van ’11 september’, nu 25 jaar geleden, als water uit de kraan. Politici kozen, kort na de aanslagen die bijna drieduizend levens hadden geëist, zonder aarzeling voor „onbeperkte solidariteit” met de VS, zoals bondskanselier Gerhard Schröder zei. Even was het Westen één. Al was het misschien veelzeggend dat de Nederlandse premier Wim Kok de Amerikanen opriep „waardig” te reageren.

Twee dagen na de aanslag trokken een kleine 200.000 inwoners van Berlijn naar de Brandenburger Tor, waar een zwarte rouwband op was gespannen. Op een podium stonden politici van álle partijen. Bondspresident Johannes Rau sprak troostend en vastberaden. Duitsland staat schouder aan schouder met de VS, zei Rau.

Een paar weken later zou Duitsland voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog groen licht geven voor deelname aan een militaire operatie buiten Europa. Duitsland ging met andere NAVO-landen jacht maken op Al Qaida-leider Osama bin Laden in Afghanistan. Solidariteit met de VS won het van de Duitse smetvrees voor militaire operaties die deel was geworden van de nationale identiteit.