Het is mistig in Paradiso. Als een atleet die aan zijn olympische oefening gaat beginnen, bestormt Ronald David Wood (79, roepnaam: Ronnie) het podium. Zodra hij daar grimassend, met wijd opengesperde mond en ogen, in zijn handen begint te klappen, stijgen er stofwolken op.
Is het talkpoeder wat van zijn handen stuift, zoals bij turners voordat ze in de ringen klimmen? Of is het een jolige verwijzing naar de andere supplementen die Wood in zijn hoogtijdagen ‘fit’ en wakker hielden?
Het is hoe dan ook een iconisch beeld van een kwispelende krasse knar die op een maandagavond nog staat te popelen om ouderwets tekeer te gaan. Want potverdorie: er staat hier dus gewoon een Rolling Stone op het podium. Niet zoals gebruikelijk in een immense arena waar hij voor honderdduizend bezoekers niet meer is dan een minuscuul Lego-poppetje in de verte, maar gewoon in een Amsterdamse rockclub waar iedereen hem recht op de vingers kan kijken.
Die zinderende opwinding is allang tastbaar voordat de eerste noten klinken. De tropisch verhitte zaal puilt uit van grijze en kal(end)e rockboomers die zonder morren 206,50 euro voor een kaartje hebben afgetikt, die meteen na binnenkomst voor veertig euro een shirt met daarop Woods iconische hoofd kopen (én direct aantrekken) en vervolgens foto’s maken (flitser aan!) van het nog lege podium. Iedere roadie die daar een moer aandraait, snoer inplugt of kabel rechttrekt wordt met luid gejuich onthaald. Na afloop trekken de fans geduldig in een lange optocht langs de bovenzaal waar speciaal door de Amsterdamse tatoeëerder Henk ‘Hanky Panky’ Schiffmacher ontworpen concertposters worden uitgedeeld. Meerdere zestigplussers vragen er stiekem twee. „Dat mag ook wel voor tweehonderd euro.”









