In zalige onwetendheid over het Nederlandse nieuws, ver van de Hitler-borrelpraat van ON en de nieuwe politieke projecten van Mona Keijzer, zat ik afgelopen week diep in Anatolië zegelafdrukken uit het Romeinse Rijk af te stoffen. Ze waren net opgegraven uit de resten van de Oost-Romeinse stad Doliche, nu een kale heuvel in een industrieterrein aan de rand van de Turkse stad Gaziantep.

In Doliche stond tweeduizend jaar geleden een enorm archief waar stapels documenten lagen opgeslagen tot, vermoedt men, de Perzen kwamen. Die legden de stad rond 253 na Christus in de as, de inwoners van Doliche werden afgeslacht of afgevoerd. De documenten uit het archief gingen in rook op, maar de kleien zegelafdrukken waarmee de perkament- en papyrusrollen waren afgesloten, werden in het vuur gebakken als aardewerk, en bleven bewaard. Tienduizenden.

Samen met de archeologen schrobde ik elke dag met oude tandenborstels de aarde van de harde zegelafdrukken. En plots kwamen ze tevoorschijn: piepkleine godenfiguurtjes, Nike, Aphrodite, Jupiter op een stier, of fijn versierde gezichten van Romeinse keizers. Adembenemend prachtig. En gruwelijk.

We leven al lang in post-apocalyptische tijden, realiseerde ik me. Dat wil ik nog wel eens vergeten, omdat ik steeds meer het gevoel krijg dat we in een pre-apocalyptische tijd leven. Voor ik in Gaziantep kwam, logeerde ik in Istanbul in een appartement met op elke vensterbank een fluitje. Die waren daar neergelegd in afwachting van de grote aardbeving die Istanbul gaat treffen, voor als je nog levend onder het puin ligt.