Eind augustus 1978 betrok ik in Amsterdam een studentenkamertje met uitzicht op het troosteloze beton van Kattenburg. Deze roemruchte volkswijk in het oude havengebied was in de jaren zestig, als verzameling onbewoonbare krotten, in één keer tegen de vlakte gegaan, en herrezen als modelbuurt met nors op elkaar gestapelde appartementen. Ze konden net zo goed in Apeldoorn of Terneuzen staan. In de paar jaar dat ik er woonde, kwam ik erachter dat de vrijgevochten geest van de Kattenburgers zich niet zomaar liet pletten door al dat beton. Met als kroon op het werk een oudere vrouw die in het enige supermarktje de ene helft van de boodschappen rechtstreeks in haar tas stopte, en de andere helft met een stalen gezicht afrekende. Een paar maanden later ging het winkeltje failliet.
Wat ik in die eerste weken in Amsterdam niet besefte, was dat de stad een scherpe bocht naar de toekomst nam. In september 1978 trad een nieuw college van B&W aan. Op zich niets bijzonders, maar in de jaren die volgden bleken de beloften die voor de gemeenteraadsverkiezingen waren gedaan, zowaar een keer waargemaakt te worden. Het werd een stille revolutie die schuilging achter berichten over economische malheur en rookwolken van krakersgeweld. Centrale figuren: Jan Schaefer (PvdA) die de stadsvernieuwing in één keer van de eerste in de vijfde versnelling bracht, Enneüs Heerma (CDA) die het internationale bedrijfsleven weer naar Amsterdam wist te lokken, en Michael van der Vlis (PvdA), de minst bekende van de drie, die zijn portefeuille Ruimtelijke Ordening zo ruim nam als maar mogelijk was, en de stad hertekende en weer tot leven bracht.








