Een paar minuten lopen van de drukke Rotterdamse straten verandert het straatbeeld volledig. Geen glanzende torens of brede verkeersaders, maar smalle paadjes, groene tuinen en bakstenen poppenhuisjes met rode zadeldaken. Zelfs de achterommetjes zijn hier nog onverhard. Wie door Vreewijk loopt, waant zich eerder in een dorp dan op Rotterdam-Zuid. „Een van de grootste en meest traditionele tuindorpen van Nederland”, noemt Martijn Haan het buurtje. Hij schreef de nieuwe Atlas van tuindorpen in Nederland, een overzicht van ruim tachtig tuindorpen die samen het verhaal vertellen van hoe de tuinstadgedachte vorm kreeg in de eerste helft van de twintigste eeuw in Nederland.
Wat begon als een woonexperiment voor arbeiders staat nu, ruim honderd jaar later, opnieuw in de belangstelling. Waarschijnlijk omdat we vandaag de dag met ongeveer dezelfde uitdagingen kampen als ongeveer een eeuw geleden: een schreeuwend woningtekort in combinatie met een behoefte aan betaalbare woonruimte en een groene en gezonde leefomgeving. Naast de Atlas kwam dit jaar de wandelgids Dwalen door een ideaal – Wandelen langs tuin- en fabrieksdorpen uit, geschreven door Yolande Emmelot en Sjoerd Karsten. En in 2024/2025 presenteerde Museum Het Schip in Amsterdam Het paradijs van de arbeider, een tentoonstelling over tuinsteden en -dorpen waarbij ook World Garden Cities werd gelanceerd, een kennis- en netwerkplatform voor tuinsteden over de hele wereld.








