„Can’t wait to meet you for the first time,… again.”

Het was begin dit jaar een zinnetje om meteen voor te vallen in de titeltrack van het indrukwekkende debuut van indiefolk-artiest Tyler Ballgame. En zo had hij er meer verzameld op For The First Time, Again, een plaat die even raak als meevoerend was.

Waar kwam dit ongelofelijke talent ineens vandaan? Uit de kelder bij zijn moeder op Rhode Island, zo bleek. Daar schreef de Amerikaan folkpopliedjes op gitaar, vaak in mineurstemming. Inmiddels woont hij in Los Angeles, is er een debuutalbum, een Europese tournee en een tweede album dat volgens hem al klaar is. Zaterdag staat hij op Lowlands.

Tyler Ballgame, artiestennaam van Tyler Perry, zit aan een picknicktafel aan de waterkant bij poppodium Paradiso in Amsterdam. Een forse, timide figuur, die geregeld verlegen zijn halflange haar achter zijn oor strijkt. Hij praat bedachtzaam, soms bijna zacht. Het is moeilijk te rijmen met de man die we zien op het podium; in april zong hij in de bovenzaal van Paradiso en in de Arminius-kerk tijdens festival Motel Mozaïque in Rotterdam.

Bij optredens kan Tyler Ballgame haast bezeten raken. Theatraal, met priemende ogen, zwaaiend met zijn armen. Expressief als een soort Jack Black. En dan ineens weer verlegen, alsof hij zelf even moet wennen aan de gedaante die hij zojuist aannam. Met zijn lichte Roy Orbison-timbre zingt hij warm en breezy, meeslepend in een tijdloze seventiessfeer. Soms zit er een emotioneel geladen randje aan zijn stem dat precies diep genoeg snijdt.