Elke grote sporter heeft een oermoment waarmee zij (of hij) de geschiedenis ingaat. Het wereldrecord van Marianne Timmer op de 1.500 meter bij de Olympische Spelen van 1998; het doelpunt van Marco van Basten in de EK-finale van 1988; de eindsprint van Sifan Hassan in Parijs 2024. Voor wielrenner Annemiek van Vleuten is dat oermoment een pijnlijk moment. Nederland zal zich haar in de eerste plaats herinneren als de vrouw die in de Olympische wegwedstrijd in Rio – 7 augustus 2016 – kort voor de finish alleen op kop reed, maar in een afdaling verschrikkelijk ten val kwam.
Van Vleutens in samenwerking met Dennis Boxhoorn geschreven autobiografie Vallen, opstaan en de wil om beter te worden begint op die dag, op dat moment: „Ik rem af en stuur in, maar ik voel al dat ik te veel snelheid heb en de bocht niet ga houden. Mijn achterwiel blokkeert en begint te glijden, waardoor ik dwars op de weg kom te staan. Als ook mijn voorwiel blokkeert, sla ik over de kop. Ik land, eerst met mijn gezicht, in de berm. Ik kom tegen een stoeprand terecht. En dan gaat het licht op zwart.”
Achteraf is het inderdaad de beslissende dag in de loopbaan van de dan al 33-jarige Van Vleuten. Niet om de val, maar omdat ze even eerder voor het eerst in haar loopbaan de beste klimmer van het peloton bleek te zijn, in misschien wel de belangrijkste wedstrijd van het seizoen. „Ik weet niet wat ik meemaak”, zegt ze terugblikkend op dat moment. Later geeft haar collega, vriendin (en concurrent) Marianne Vos haar een ingelijste foto van het moment waarop Van Vleuten wegrijdt bij concurrente Mara Abbott. In de daaropvolgende jaren blijkt Van Vleuten inderdaad een van de beste klimmers ter wereld: in 2022 won ze de ronden van Italië, Frankrijk én Spanje.













