Alsof ze achteruit loopt, zo voelt het. Femke Broeders-Bol kijkt op haar piepende sporthorloge. Ongeveer vijfenhalve minuut heeft ze over de laatste kilometer gedaan; een prima tempo voor de meeste amateurhardlopers. Maar schrikbarend langzaam als je de eindsprints gewend bent die ze talloze malen liep in WK-finales en op de Olympische Spelen.
Ze jogt verder over het beboste, glooiende terrein van sportcentrum Papendal in Arnhem, waar ze dit jaar elk weggetje heeft leren kennen. „Het voelde in het begin zo slecht, ik vond het zo frustrerend”, zegt ze, nauwelijks buiten adem, over de geringe snelheid waarin ze sinds januari eindeloos veel trainingen heeft afgewerkt. „Dan dacht ik dat ik het goede tempo te pakken had, bleek achteraf de verzuring in mijn benen toch te hoog te zijn.”
Bij hoge uitzondering mag NRC een training meefietsen. Langs een rood-witte slagboom een smal paadje op dat omgeven is door bomen. Door de dichte begroeiing heen is links de blauwe atletiekbaan van Papendal te ontwaren, in voorgaande jaren de vaste trainingslocatie van Broeders-Bol. Deze ochtend in juli loopt ze er het grootste deel van haar training met een ruime boog omheen.
Er is een hoop veranderd sinds ze eind vorig jaar is overgestapt van de 400 meter horden naar de 800 meter zónder horden, zegt Broeders-Bol later in de kantine van Papendal, in een zeldzaam interview over haar metamorfose vlak voor de EK atletiek in de Britse stad Birmingham. Toch is het nieuwe trainingstempo wel het aspect waar ze het meest aan moest wennen. „Ik moest telkens trager, trager, trager. ‘Nóg trager?’, dacht ik. Ja hallo, ik doe toch mijn best? Wanneer mag ik nou eens harder?”






