De laatste jaren is mijn omgang met dieren verzacht. Ik eet ze minder vaak op, stofzuig om spinnetjes heen en binnenshuis belande bijen zet ik behoedzaam buiten. Toen er door buren werd geklaagd over ratten in de binnentuin, dacht ik: ach, die beestjes moeten ook leven.
Twee dagen voor de vakantie zat-ie op het aanrecht. Een kleintje, dat waarschijnlijk door de achterdeur was binnengeslopen en zich daarna gerieflijk had geïnstalleerd in de kruipruimte of achter een spouwmuur. Een vriend vertelde dat hij ooit een insluiprat had gevangen door een doek over het dier te gooien het daarna in een pan ‘liefdevol’ af te voeren naar een parkje.
Gaten in muren en kastjes gevuld, eten opgeborgen, vallen gezet, oppervlakten geschrobd, wéér gaten gevuld. De poes keek belangstellend toe. Twee weken bleef het schoon en rustig. We durfden al bijna opgelucht te zijn. Toen bleek een puntpaprika op de fruitschaal aangevreten.
Die nacht tegen drieën hoorde ik dat de deur onderaan de trap werd opengeduwd. De poes kán dat, maar doet dat bijna nooit. Ik stommelde naar beneden en knipte het licht aan. De rat was gegroeid. Opgeschrikt schoot het dier richting eettafel, waarna ik de dichtstbijzijnde deur sloot. De enige vluchtweg liep nu via het aanrecht. Zolang ik die blokkeerde, zat de rat opgesloten. Maar hoe nu verder?








