Het scheelde een haar of Caroline Lamarche had vorig jaar de Prix Goncourt gekregen voor haar roman Een schimmig bestaan (Le Bel Obscur). Met maar twee stemmen meer had ze als Franstalige Belgische schrijfster de belangrijkste Franse literaire prijs veroverd. Die ging uiteindelijk naar La maison vide van Laurent Mauvignier.
Romans over familiegeschiedenis, en dan met name over voorouders die uit de stamboom zijn verbannen, zijn er momenteel volop in de Franse literatuur. Deze twee behoren zonder twijfel tot de beste. In de roman van Lamarche (1955) gaat de vertelster op zoek naar een voorvader die in 1865 is gestorven en niet ouder werd dan 30 jaar. Van hem resten niet meer dan twee foto’s, twee brieven en een oorkonde. Hij zou zijn moeder verdriet hebben gedaan, hoort ze, en daarna zijn doodgezwegen, uitgewist, weggepoetst. Het is een klassieke damnatio memoriae, een vervloeking waarmee iemand uit het geheugen wordt verbannen. Wie was hij en waarom wilde niemand zich deze man herinneren? Dat wil de vertelster begrijpen.
Spitten in archieven
Op de een of andere manier voelt ze zich verbonden met deze outsider in haar familie, eigenaren van fabrieken in de Luikse metaalnijverheid. Ze is gefascineerd door de jongeman die in het Saksische Freiberg studeerde, mijnbouwingenieur werd en op een dag dood werd aangetroffen in een hotel in Orleáns. Haar zoektocht begint met spitten in archieven, maar daarbij blijft het niet. Ze bezoekt een medium en een grafoloog, raadpleegt een astroloog. Niets laat ze ongedaan om meer over deze Edmond te weten te komen.







