In een cirkelvormige bak waar paarden worden getraind, omgeven door een schutting met daarachter publiek, wordt een hengst van „24 maanden oud” naar Monty Roberts geleid. „Een baby”, zegt hij over het dier, dat blijkens de beelden van de demonstratie boven hem uittorent. De volbloed is nét binnen, als hij zijn staart omhoog tilt en poept. „Waarom dóén ze dat?”, zegt Roberts, met kobaltblauw overhemd en cowboyhoed. „Omdat hij een prooidier is en ik een roofdier. Evolutie heeft hem geleerd zijn darmen te legen, voor als hij moet vluchten.”
Monty Roberts is dertien jaar oud wanneer hij ontdekt dat paarden communiceren met een systeem aan signalen – een systeem dat hij kan ontcijferen. „Na verloop van tijd zou ik gaan beseffen hoe nauwkeurig die taal precies is”, schrijft hij in de autobiografie The Man Who Listens To Horses (1996). Als hij zichzelf dat systeem eigen kan maken, denkt hij dan, kan hij als brug fungeren tussen het ultieme roofdier en het functionele prooidier. „De mens en het paard.”
Een wild paard moet je breken tot het onderdanig is. Dat idee kent een geschiedenis die terugvoert tot 2000 jaar voor Christus – op enkele plekken, zoals Kazachstan, zelfs nóg verder terug. Monty Roberts brak met die overtuiging. Hij leerde de mens dat een paard niet gebroken hoeft te worden. Roberts, die wereldberoemd werd als paardenfluisteraar, overleed deze vrijdag op 91-jarige leeftijd.











