vandaag, 08:00Ik wilde altijd een grote mensenhuis. Zo’n statig pand met hoge plafonds en grote ramen. In één van de kamers zou een glanzende zwarte vleugel staan. Aan de muren pronkten schilderijen die ik nu nog niet mooi vond, maar later vast wel.Zo’n huis heb ik niet. We wonen in een blokkendoos. De plafonds zijn eerder laag dan hoog. Ik kocht een piano op Marktplaats, maar niemand speelt er op. De kunst die er hangt is weinig complex. Groot is het huis wel, vind ik zelf. In de eerste jaren dat we er woonden, schaamde ik me zelfs een beetje als ik mensen ontving. Ja, dit is allemaal van ons. Ik moet er aan denken als ik met zoon (13) in Barcelona ben en we ineens door een wijk met eengezinswoningen lopen. Het is zo atypisch voor zo’n wereldstad dat het ons direct opvalt. Hier wonen de meeste mensen niet in zulke huizen, maar in appartementen. De straten in Barcelona zijn prachtig. Voortdurend kijken we omhoog naar al die mooie panden. Op balkons prijkt soms een vlag, vaak hangt er was. Grote bomen houden zonlicht tegen. Koelte is hier belangrijker dan daglicht. Achter al die ramen spelen zich levens af, mijmer ik. Mensen die er bankhangen, liefhebben, koken, ruziën, plannen maken, vertrekken en weer thuiskomen. Hoe zou het zijn om hier te wonen? Vier nachten doen zoon (13) en ik alsof Barcelona ook van ons is. Het is onze vijfde stentrip, met zijn beste vriend en diens moeder. Altijd komen we aan in het donker, zodat we pas de volgende dag echt zien waar we zijn beland. Altijd duurt de onwennigheid maar kort. Waar de straat volkomen vreemd aanvoelt als we aankomen, is het een dag later helemaal vertrouwd. Dat is ook in Barcelona zo. De unheimische route van de eerste avond omzeilen we, de metro blijkt zoals beloofd dichtbij en de bedden liggen goed. We vertrekken 's ochtends om negen uur en komen na twaalf uur 's nachts weer terug. We ervaren dat we zonder problemen ver van huis kunnen zijn, omdat we weten dat ergens dichtbij een deur voor ons opengaat. Een thuis is snel gemaakt. Als we na zo'n uitstapje onze eigen wijk weer inrijden, vind ik alles even helemaal stom. Nooit is er iets veranderd. Of het moeten al de bomen zijn, die net wat groener zijn. Misschien is het gras van de speeltuin net gemaaid of is een stoeptegel verzakt. De buurt is het voorspelbare decor van mijn eigen voorspelbare leven. Maar ook dat gevoel is snel voorbij. Want op wat niet verandert, kan ik bouwen. Overal ter wereld thuis kunnen zijn, is makkelijk als het echte thuis niet wankelt. Ik pak mijn huissleutel en ga naar binnen. We hebben geen statig grote-mensen huis, maar ach, zo'n blokkendoos staat wel lekker stevig.
Column: Grote mensenhuis
Ik wilde altijd een grote mensenhuis. Zo’n statig pand met hoge plafonds en grote ramen. In één van de kamers zou een glanzende zwarte vleugel staan.








