Een poosje geleden verbleven we met de kinderen in het huis van mijn moeder, omdat ze op vakantie was. Ik ben in dat huis, wit en lief en niet heel groot, geboren en opgegroeid tot ik naar Amsterdam ging om te studeren.

Het huis staat midden in de polder en heeft een tuin zo groot, dat je het rustig een landgoedje kan noemen. Ik groeide er op zonder broers of zussen. In de zomer lag ik in een roze hangmat achter de vijver, en las boeken. Alles werd dan warm: mijn huid, het gras, de stenen. Ik trok de hangmat soms heel dicht om me heen, tot ik alleen de kruinen van de bomen en een stukje blauwe lucht kon zien. Ik weet nog hoe het rook. Naar stof, karamel en hars.

Er zijn allerlei redenen waarom het huis en de grond voor mij ook een bezwaard gebied vormden. Er was mijn vader, in zijn laatste zware jaren altijd thuis, als de Minotaurus in zijn labyrint. En ook daarvoor al, toen ik er nog woonde, en chaos en pijn de kamers konden vullen. Of nog eerder, toen er in de vijver achter het huis een verschrikkelijk ongeluk gebeurde.

Toen mijn vader stierf, heb ik ook afscheid van het huis genomen. Ik kwam er wel, maar liep dan losgezongen door de tuin en de kamers. Ik wist niet meer van wie het huis was, zo zonder hem. Ik dacht dat mijn moeder daar ook zo over dacht. Dat ze snel zou verhuizen, de stad in, terug naar háár oorsprong.