Mijn dochter (14) koopt sinds enkele maanden haar eigen kleding. Vorige maand kwam er een topje binnen dat ze meteen trots kwam laten zien. Een wijnrode kleur, op het eerste gezicht niet lelijk. Wat het had gekost? Zes euro, eigenlijk iets duurder maar er was speciale korting. Korting is altijd speciaal, maar als een kledingstuk daarna 6 euro kost, is het inderdaad wel een erg speciale korting. Mijn interesse was gewekt.

Ik voelde aan de stof, een synthetische cocktail die deze planeet de komende honderden jaren niet gaat verlaten. Niet veel later kreeg ik een discussie met mijn partner, of we onze dochter het kopen van fast fashion (hippe kleding die goedkoop en massaal wordt geproduceerd) zouden moeten verbieden. We werden het eens dat een verbod juist zou zijn, maar zagen tegelijk enorm op tegen de gevolgen. Het voelde als een bijna fascistisch besluit. Een tiener met kleedgeld die wikt en weegt waar de euro’s naartoe gaan verbieden fast fashion te kopen, zou betekenen dat ze bepaalde kleding niet meer kan krijgen, en dat ze ons daardoor van alles zou gaan kwalijk nemen, met als sterkste argument: nu val ik buiten de groep.

Peter C. Leferink is mode-expert en publicist.

Diezelfde aarzeling herkende ik een paar dagen later in het nieuws. De Textieltafel publiceerde toen zijn eindrapport aan de Tweede Kamer. Dit overlegorgaan van kledingbedrijven, recyclers, overheid en ngo’s, stelt voor dat Nederland gaat meewerken aan een Europese definitie van ultrafast fashion. Meewerken, níet vaststellen. Minister Stientje van Veldhoven van Klimaat en Groene Groei (D66) liet weten geen heil te zien in het actief weren van fast fashion.