Veel in het voetbal is veranderd sinds Lionel Messi twintig jaar geleden doorbrak bij FC Barcelona. Het spel is intensiever, sneller, fysieker en op tactisch vlak complexer. Maar zijn invloed, ook tijdens dit WK in Noord-Amerika, is nog altijd enorm. Hoewel hij eindeloos is geanalyseerd door coaches, spelers en specialisten heeft hij nog steeds het vermogen om topwedstrijden naar zijn hand te zetten. Om te versnellen, om te verrassen, om duels te laten kantelen – zoals in de achtste finale tegen Egypte met een goal en een assist en in de halve finale tegen Engeland met twee assists.
Zondag staat hij met Argentinië tegen Spanje in New Jersey in de WK-finale, zijn derde na de nederlaag in 2014 tegen Duitsland en de zege in 2022 op Frankrijk. Hij was er al bij in 2006, met zijn WK-debuut tegen het toenmalige Servië en Montenegro – Diego Maradona zag Messi op de tribune in Gelsenkirchen meteen na zijn invalbeurt een assist geven en de 6-0 maken.
Er is in het mannenvoetbal niemand anders bij wie zoveel tijd zit tussen zijn eerste en laatste WK-duel. In aantal WK-finales gaat hij Maradona – één wereldtitel uit twee finales – sowieso voorbij.
Hoe kan het dat Messi op 39-jarige leeftijd nog steeds op topniveau speelt? En dat hij nog zo’n grote impact heeft, met acht goals en vier assists dit toernooi?












