„Het verhaal van de Odyssee is in feite snel verteld”, schreef Aristoteles in zijn Poetica: „iemand is vele jaren van huis, wordt door Poseidon nauwlettend in de gaten gehouden, is alleen, terwijl thuis vrijers zijn bezit verbrassen en zijn zoon belagen. Uiteindelijk komt hij door stormen geteisterd thuis, maakt zich aan enkelen bekend, gaat in de aanval, doodt zijn vijanden en brengt het er zelf levend van af. Dat is de kern, al het andere is episodisch.”

Niettemin behoort complexiteit in meer dan één betekenis van de term tot de meest opmerkelijke eigenschappen van Homerus’ Odyssee, een epos dat nota bene bijna helemaal aan het begin van de literaire traditie van het Westen staat – bijna, want de Ilias was er al. In de eerste plaats werkt Homerus die simpele kern uit in drie delen: een proloog op Ithaka, waar Odysseus’ vrouw Penelope zich dapper maar met toenemende moeite verweert tegen de lokale aristocratie, die zich van het bezit van de afwezige koning meester wil maken door met haar te trouwen, en een reis van hun zoon Telemachus naar voormalige Griekse strijdmakkers van zijn vader voor Troje om te weten te komen of hij nog leeft. Dan volgt een centrale midden-sectie op het eiland Scheria van de mysterieuze Phaiaken, waar Odysseus is aangespoeld nadat hij al zijn schepen, bezittingen en makkers is kwijtgeraakt en waar hij zijn zwerftochten na de val van Troje in de eerste persoon beschrijft aan het hof. En tot slot is er een afsluitende sectie, opnieuw op Ithaka, waar hij in vermomming is geland en gruwelijk wraak neemt. Zo ontstaat een complexe raamvertelling in drie genres: een psychologische Bildungsroman, een reeks fantastische vertellingen in de ik-vorm, en een bloedig oorlogsnarratief in de schildering van Odysseus’ wraak.