„Een gezicht. Een vloot. Een oorlog. Een man. Een gedachte. Een truc! Om de muren te breken en de stad schreeuwend plat te branden.”

The Odyssey begint met een lofzang op koning Odysseus, gedeclameerd boven de dronken koppen in de troonzaal van Ithaka. Twintig jaar eerder vertrok Odysseus vanaf hier naar het rinkelende strijdveld van Troje. Na een tienjarige belegering bracht zíjn paard de stad ten val. Hij vertrok als held.

Maar al direct begint The Odyssey vraagtekens bij dat heldendom te plaatsen. Odysseus (Matt Damon) is nooit thuisgekomen, en in zijn afwezigheid is Ithaka vervallen tot 24-uurs-bacchanaal: dronken vrijers lonken naar de hand van koningin Penelope (Anne Hathaway), terwijl ze zoon Telemachus dood willen zien en hond Argos op de mesthoop leggen. En ook Odysseus zélf zal pijnlijk gebrekkig blijken; hoogmoedig, getraumatiseerd, verantwoordelijk voor de verwoesting van een beschaving.

The Odyssey heeft de onvergetelijke scènes die je verwacht van regisseur Christopher Nolan (en cinematograaf Hoyte van Hoytema). Het dodenrijk dat Odysseus bezoekt is een smeulende oneindigheid, waar lijken oprijzen uit de as om hun pijn te beklagen. De cycloop Polyphemos is een grauwe titaan met een Picasso-gezicht, die Odysseus’ mannen opkauwt: twee per dag. En de tovenares Circe kneedt mannenlijven in een ijzingwekkende scène om tot zwijnen alsof het hompen klei zijn. Het is bijna horror: de onaardse kracht van de Griekse goden móét ook angst inboezemen. Maar wat je niet verwacht, is dat The Odyssey daarnaast een verrassend aardse en menselijke film is.