Wat biedt Julidans eigenlijk? „Alles wat geen ballet is”, zeiden oprichters Luuk van Eijk (toenmalig dansprogrammeur Stadsschouwburg (ITA) en impresario Jaap van Baasbank in 1991, bij de eerste editie. Ofwel: focus op het (dansant) bewegende lichaam in een theatrale context. Dat legt een breed veld open. Chaotisch, knettergek, verstild, onversneden beeldschoon, het kan allemaal. De habitués weten de weg wel ongeveer te vinden in die wirwar, voor de argeloze bezoeker is een avontuurlijke inborst een pre. Oordoppen zijn dat vaak ook.
Een enkele keer glipt er nog iets ‘balletterigs’ doorheen. Dit jaar, editie 36, was dat het strak gechoreografeerde Delay the Sadness van Sharon Eyal, die vier avonden voor een uitverkochte Rabozaal zorgde. En hoe ruim de term ‘hedendaagse dans’ is, demonstreerden flamenco-icoon-annex-iconoclast Israel Galván en de even maffe als slimme Kaapverdiaanse Marlene Monteiro Freitas. Hun voorstelling RI TE is een nauwelijks na te vertellen conversatie in dans, een absurde, geestige, ironische, briljante, speelse ontmoeting; twee grootheden die in een kleine zaal een nog kleinere speelruimte verkozen. „Een luciferdoosje”, aldus Monteiro.
Bescheiden budget
Vooraf al waren dit de voorspelbare hoogtepunten. De focus ligt vooral op zogeheten ‘midcareers’; makers die al een zekere status hebben verworven maar nog geen arrivés zijn. Die beleidslijn staat los van de beperkte financiële ruimte van het festival, dat dankzij co-producent ITA kan beschikken over een bestaande infrastructuur, zalen en faciliteiten.








