Eigenlijk kán het helemaal niet, zo’n grote, statige overzichtsexpositie van het werk van Marcel Duchamp (1887-1968), zoals die nu in het New Yorkse MoMA is te zien. Sterker nog: Duchamp zelf zou ongetwijfeld de eerste zijn geweest om de ernst en de canonisering van zo’n tentoonstelling te ondergraven. Dat was namelijk precies wat hij zijn hele carrière deed: voortdurend ondermijnde hij alle normen en waarden van de kunst, of het nu ging om originaliteit, technische vaardigheid, kunstcarrières, noem maar op. Een houding die misschien nog het beste wordt getypeerd door het snorretje en een sikje dat hij in 1919 op een beeltenis van de Mona Lisa tekende. Duchamp als de ultieme saboteur.
Marcel Duchamp bewerkte een reproductie van Leonardo da Vinci’s Mona Lisa. MoMA, New York
Alleen: die houding had vrij fundamentele consequenties. Want als je alles ondergraaft, wat blijft er dan nog over? Het maakt van Duchamps oeuvre een grote paradox: hij is in zijn werk voortdurend bezig om alles wat de buitenwereld tot, zeg, 1912, als kunst beschouwde (schilderijen, beelden, tekeningen) in twijfel te trekken, te ontkennen, te ontkrachten – maar dat kan hij alleen maar doen door datzelfde werk uiteindelijk toch onder ‘kunst’ te blijven scharen.









