De huisvlijt die de straatboekenkast nu eenmaal eigen is, uit zich meestal in het kleine: de meeste boekendelers beperken zich tot bescheiden planken, dakjes en deurtjes. Maar langs de weg die zich vanuit Lutjewinkel westwaarts richting Zijdewind slingert (Noord-Hollanders weten dat deze plaatsen echt bestaan) is voor grover basismateriaal gekozen: een halve Trabant met het toepasselijke nummerbord BUKOWSKI. Open de achterklep en daar liggen de boeken.
Goede boeken, bovendien: Roth (Philip), Theroux (Paul), Reve (Gerard), Suske (van Wiske) en Het ongrijpbare meisje van de Peruaanse Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa, aangeprezen als „zijn eerste echte liefdesroman” uit 2006 – niet te verwarren met de ‘erotische roman’ Lof van de stiefmoeder uit 1988. Over de vraag of Het ongrijpbare meisje een liefdesroman is zo nog wat meer; belangrijker is hoe Vargas Llosa meteen al in de eerste passages – vertaald door Aline Glastra van Loon en Arie van der Wal – laat zien, hoe je dat doet, een verhaal vertellen.
Het is de ‘fantastische zomer’ van 1950 in de chique wijk Miraflores van Lima. Liefdes ontluiken: „Manke Lañas vroeg voor het eerst aan een meisje – de roodharige Seminauel – of ze verkering met hem wilde en tot verbazing van heel Miraflores zei ze ja. De Manke vergat prompt zijn kreupelheid en liep sindsdien als een Charles Atlas met zijn borst vooruit door de straten.” Dat geluk heeft Ricardo Somocurcio, de dan vijftienjarige held van het verhaal, niet. Hij valt voor het onverstoorbare Chileense meisje Lily en zij wijst hem tot driemaal toe af. Juist als hij haar ten vierden male wil vragen, volgt de ontmaskering: Lily en haar zusje Lucy blijken geen Chilenen, maar arme meisjes die zich een exotisch accent hadden aangemeten om zo hun armoede te verhullen.






