Op het WK van 1994 speelde zich tijdens de laatste groepswedstrijd tegen Zuid-Korea een van de opmerkelijkste incidenten af in de geschiedenis van de Duitse nationale ploeg. Het draaide om Stefan Effenberg, een speler die nooit bang was om controverse op te zoeken, maar die dit keer een grens overschreed.

De achtergrond van het incident ligt in de jaren ervoor, waarin de druk op Duitsland steeds verder opliep. Onder bondscoach Berti Vogts werd vastgehouden aan een ervaren selectie, die eerder een verloren EK-finale tegen Denemarken had moeten verwerken. Het WK in de Verenigde Staten moest dat goedmaken.

Maar de start van het toernooi verliep moeizaam. In de Amerikaanse hitte speelde Duitsland slordig en met weinig overtuiging tegen Bolivia (1-0-zege) en Spanje (1-1). Ook buiten het veld liepen de spanningen op in de spelersgroep.

Tijdens de laatste groepswedstrijd tegen Zuid-Korea kwam het tot een uitbarsting in Dallas. Duitsland leidde met 3-0 dankzij twee goals van Jürgen Klinsmann en een treffer van Karl-Heinz Riedle, maar gaf die voorsprong in de tweede helft bijna weg. Toen de ploeg wankelde en het publiek begon te morren, greep Vogts in.

Effenberg werd naar de kant gehaald en verliet zichtbaar gefrustreerd het veld in de Cotton Bowl. Hij werd uitgefloten door zijn eigen supporters en reageerde door zijn middelvinger naar hen op te steken. Het beeld ging de wereld over.