Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog kon bondscoach Sepp Herberger, als lid van de NSDAP, soms spelers tijdelijk van het front laten vrijstellen om voor Duitsland uit te komen. Een van die spelers was Fritz Walter, die in 1940 debuteerde voor de 'Nationalmannschaft'. Hij maakte een hattrick tegen Roemenië.

Walter werd al snel een favoriet van Herberger en speelde 23 van de 25 interlands van Duitsland in de oorlog. Ondertussen was de aanvaller van FC Kaiserslautern bij de Wehrmacht in Frankrijk en Italië gestationeerd. Hij pendelde dan ook tussen het voetbalveld en het front.

Toen de gevechten in 1943 heviger werden, kwam daar verandering in. Het voetbal ging nog door, maar het werd voor spelers steeds lastiger om terug te keren van het front. Walter ging daarom spelen voor Rote Jäger, een propagandateam van de Luftwaffe, en werd overgeplaatst naar een parachutistenregiment.

In die militaire eenheid werd Walter aan het einde van de oorlog gevangengenomen, toen Duitsland terrein verloor aan het Rode Leger. De 24-jarige voetballer belandde in een krijgsgevangenenkamp van de Sovjets in Oost-Europa, vlak voor deportatie naar kampen in Siberië.

Walter had zich al neergelegd bij zijn lot en probeerde zijn laatste dagen in het kamp te vullen met voetbal. Hij had gezien dat de bewakers regelmatig tegen elkaar speelden. Tijdens een van die wedstrijden rolde de bal richting Walter, die hem rustig terugspeelde naar de bewakers. Die vroegen hem om zelf mee te doen. Het bleek de belangrijkste wedstrijd uit zijn leven, zoals hij later zelf zei.