Begin jaren dertig verbaasde Oostenrijk de voetbalwereld. Onder leiding van bondscoach Hugo Meisl bleef het zogenoemde 'Wunderteam' van april 1931 tot december 1932 veertien wedstrijden ongeslagen. De speelstijl was gebaseerd op snelle passes, een tactiek die werd geïntroduceerd door de Engelsman Jimmy Hogan en door sommigen werd gezien als de voorloper van het totaalvoetbal.

Matthias Sindelar was de aanvoerder van de ploeg en speelde als een soort 'valse 9'. Nadat hij vanwege zijn individualistische speelstijl jarenlang was gepasseerd door Meisl, maakte hij in mei 1931 zijn rentree in een historische wedstrijd tegen Schotland. De Oostenrijkers bezorgden de Schotten namelijk de eerste nederlaag ooit op het Europese vasteland. Onder leiding van Sindelar haalden ze met 5-0 uit in Wenen.

Het was de geboorte van het 'Wunderteam' en het begin van een indrukwekkende zegereeks. Daarna won Oostenrijk ook van België, Bulgarije, Frankrijk, Hongarije en Zwitserland. Vooral de 8-2-overwinning op Hongarije viel op. Sindelar was met een hattrick en maar liefst vijf assists de uitblinker in die wedstrijd.

Ook bij nederlagen stond de 'Mozart van het Voetbal' in de schijnwerpers. Eind 1933 verloor Oostenrijk weliswaar met 4-3 bij Engeland, maar Sindelar maakte zoveel indruk dat zelfs scheidsrechter John Langenus lovend was.