Het vakantiedilemma staat er weer aan te komen: niet weg, toch weg maar dicht bij huis, ver weg, tropisch ver, terwijl we net een week in eigen land hebben lopen kreunen onder hittestress? Ja, maar daar is het anders, daar zijn de huizen erop gebouwd en waait de wind. Nou, bijvoorbeeld niet in Suriname.

Ik heb net het „cultessay over de schaduwkant van toerisme” gelezen, zoals de Nederlandse uitgever ‘De Geus’ het aanprijst: Zo’n klein eiland van Jamaica Kincaid, geboren op het Caribische eiland Antigua, nu wonend en werkend in de Verenigde Staten. Onderwijl begreep ik dat ik de tekst eerder onder ogen had gehad, jaren geleden, in het Engels, onder de titel A small place. Nu is mijn Engels heel behoorlijk, maar het is toch een schok te merken hoe het Nederlands als moedertaal veel dieper tot je doordringt. Nu pas ontdekte ik de kracht en de woede van het boek, ook door die nieuwe, naturelle vertaling van Janneke van der Meulen. We houden onszelf voor polyglotten, maar heel terecht liet mijn vroegere zanglerares me de Duitse en Italiaanse liederen eerst vertalen in het Nederlands, om de gevoelswaarde op het spoor te komen.

Kincaid verliet Antigua toen ze zestien was, of zoals ze zelf schrijft, „ik werd naar de V.S. gestuurd om als dienstmeisje te werken (…)”. Niet per se een vakantietrip. Ze had bij vertrek het gevoel „dat ik een hel achter me liet die altijd was voorgesteld als paradijs: elke dag stond de zon twaalf uur lang boven m’n hoofd te branden, elke avond ging ik omhuld door een deken van warme duisternis slapen.” Ook voor niet-bereisde Nederlanders zal dit stukje verrassend herkenbaar zijn.