Als een zwerm bijen op een pot honing vlogen tientallen journalisten vorig weekend op Vozinha af. Het was zondagavond in het Miami Stadium en klam en benauwd in de perstent die naast het stadion was gebouwd, waar alle spelers na de wedstrijd langs een rij journalisten moesten om naar hun bus te gaan. Een week eerder hadden weinigen nog van de veertigjarige keeper van Kaapverdië gehoord. Hij werd pas op z’n vijfentwintigste profvoetballer in Angola en keepte daarna onder meer in Moldavië, Slowakije en Portugal. Maar na een heldenrol tegen Spanje, waarin hij de WK-debutant knap op de been hield (0-0), en nu het gelijke spel tegen Uruguay (2-2) wilden media van over heel de wereld hem spreken.

Terwijl hij sprak over zijn moeder, die in eerste instantie geen visum voor de VS had kunnen betalen, over sociale media, waar hij ineens miljoenen nieuwe volgers had, en over zijn team, dat het zo verrassend goed deed, was op de achtergrond het gezang van Kaapverdische fans te horen. Ze zwaaiden met vlaggen, dansten, en vierden het tweede punt van het toernooi alsof ze gewonnen hadden.

De plotselinge populariteit van Vozinha was in zekere zin symbolisch voor de groepsfase van dit WK. Niet alleen omdat moderne voetballers vanuit obscuriteit ineens viral kunnen gaan, maar vooral door de opkomst van kleine voetballanden in dit toernooi, de weerstand die zij boden tegen grotere landen – en de ongelijkheid waarmee hun fans aan de Amerikaanse grens te maken hebben.