Als minister van Onderwijs zette Ingrid van Engelshoven (D66) zich naar eigen zeggen voortdurend in voor het zo veel mogelijk openhouden of heropenen van het onderwijs. „En ik voelde mij daarin ook zeer gesteund door het kabinet”, zei ze maandag tijdens haar verhoor door de parlementaire enquêtecommissie Corona.

Het basis- en voortgezet onderwijs ging tijdens de pandemie twee keer langdurig dicht en in tussenliggende perioden mochten scholen ook maar beperkt open – bijvoorbeeld met halve klassen. Studenten kregen bijna helemaal geen fysiek onderwijs. Ze zaten bijna twee jaar thuis, wat leidde tot onder meer eenzaamheid en mentale klachten.

Volgens Van Engelshoven was het ‘niet zo dat de belangen van jongeren niet telden’ in het coronabeleid

Uit de vragen van de enquêtecommissie bleek dat haar leden de situatie anders bezagen dan Van Engelshoven. De commissie hield de oud-minister voor dat de sluiting van het onderwijs had geleid tot leerachterstanden bij kinderen en mentale problemen onder jongeren.

De oud-minister schetste hoe ze, dag in dag uit, overlegde met belangenorganisaties in het onderwijs, om de „uitvoerbaarheid” van coronamaatregelen te bespreken. Daaruit rees het beeld op van een minister die vooral in actie kwam nádat besluiten waren genomen. Ze probeerde bovenal te fungeren als luisterend oor: „Je moet goed luisteren naar de sector. En tegelijkertijd heb je de verantwoordelijkheid om [een kabinetsbesluit] zo goed mogelijk uit te leggen en te verdedigen en te zorgen dat sectoren het kunnen uitvoeren”, zei ze.