Toen de Poolse dichter Wyslawa Szymborska in 1996 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg, schijnt ze te hebben gezegd dat niet zij die prijs had moeten krijgen, maar haar geliefde, de zes jaar eerder overleden Kornel Filipowicz. Ze sprak die woorden niet uit liefde en genegenheid voor de schrijver met wie ze drieëntwintig jaar een relatie had, maar uit oprechte bewondering voor zijn werk.
Nu had ik nog nooit iets van Filipowicz gelezen, waardoor zijn naam in 1996 door alle aandacht in de media voor de briljante Szymborska meteen in mijn bewustzijn verdampte. Totdat onlangs zijn ‘compacte’ roman Memoir van een antiheld uit 1961 door Karol Lesman werd vertaald en ik van bewondering bijna van mijn stoel viel, zo goed was dat boek geschreven, zo bijzonder het verhaal.
Memoir van een antiheld is het relaas van een jonge Pool in de Tweede Wereldoorlog, een dertiger die geen zin heeft om zijn aangename leven op het spel te zetten door in het verzet te gaan. Wanneer de nazi’s in september 1939 Polen binnenvallen, is hij wel meteen onder de indruk van hun discipline en perfecte uitrusting. Ze zijn het tegendeel van de slonzige Poolse krijgsgevangenen die hij afgevoerd ziet worden.
Landgenoten die de wapens opnemen tegen de bezetter, zoals een onderwijzeres die een machinepistool op Duitse soldaten leegschiet, vindt hij halve idioten. Niet voor niets zegt hij „ik voel absoluut geen behoefte om de dood te riskeren, enkel en alleen om postuum roem te verwerven.”








