De Hoge Raad deed onlangs een opzienbarende uitspraak over de vrijstelling van de leerplicht wegens richtingsbezwaren, bezwaren tegen de levensbeschouwelijke richting van scholen. Ouders kunnen zich alleen nog op deze vrijstelling beroepen wanneer zij kunnen aantonen dat het onderwijs op de openbare scholen in hun buurt niet op een objectieve, kritische en pluralistische manier wordt gegeven. Slagen zij daar niet in, dan hebben zij geen recht op vrijstelling en zijn ze verplicht hun kind op een school in te schrijven, ook als die niet overeenstemt met hun overtuigingen. De uitspraak is niet alleen in strijd met de bedoeling van de vrijstelling, maar vormt ook een potentiële aantasting van de vrijheid van onderwijs.

Om de vrijstelling te begrijpen, moet worden teruggegaan naar de basisprincipes van ons onderwijsstelsel. Dat stelsel is in het leven geroepen om ouders te ondersteunen in hun fundamentele recht hun kinderen op te voeden volgens hun eigen levensbeschouwelijke en pedagogische overtuigingen. Onderwijs is een onlosmakelijk onderdeel van de opvoeding. Ouders hebben daarom het recht te kiezen voor onderwijs dat hun overtuigingen actief ondersteunt.

De overheid faciliteert dit recht op twee manieren. Ten eerste houdt zij openbare scholen in stand. Die zijn, gelet op het gelijkheidsbeginsel, levensbeschouwelijk neutraal en algemeen toegankelijk. Ten tweede staat de overheid, via de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, toe dat burgers scholen oprichten met een eigen levensbeschouwelijke of pedagogisch-didactische grondslag. Veel van deze zogenoemde bijzondere scholen ontvangen dezelfde bekostiging als openbare scholen. De gedachte daarachter is dat het keuzerecht van ouders niet afhankelijk mag zijn van de financiële draagkracht: iedereen moet zijn kind naar een school van de eigen overtuiging kunnen sturen. Artikel 23 zorgt er dus voor dat ouders zelf een school van hun overtuiging kunnen kiezen en is geen doel op zich.