Zwieren in een Parijse draaimolen. Een pijp roken met uitzicht op de Zwitserse Alpen. Met het hele gezin onder de parasol op een Italiaans strand. Wie deze zomer door de kleurrijk vormgegeven tentoonstelling Het Europa van Isaac Israels in Museum Kröller-Müller in Otterlo loopt, krijgt een vrolijk, ontspannen beeld van het Europa aan het begin van de twintigste eeuw: als een zalig luilekkerland voor mondaine burgers.

Niets aan de hand, het goede leven.

Israels, bekend van z’n impressionistische Amsterdamse straattaferelen en de artistieke rivaliteit met bevriende collega-schilder George Hendrik Breitner, was een bijzonder reislustige kunstenaar. Als zoon van de internationaal gevierde schilder Josef Israëls (de trema haalde Isaac uit z’n naam om zich te onderscheiden) en de belezen Aleida Israëls-Schaap hoorde hij van kinds af aan bij de rijke, intellectuele elite. Bij hun thuis kwam veel internationaal en belangrijk bezoek: van kunstenaars en mecenassen tot aan koningin Sophie – maar zelf reisde het gezin er ook flink op los. Z’n moeder was daarin een drijvende kracht: zij was ervan overtuigd dat je echte kennis niet op school opdoet, maar in de wijde wereld en in boeken.

Museum Kröller-Müller toont deze zomer een uitgebreid overzicht van de werken die Israels maakte tijdens en naar aanleiding van zijn reizen aan het begin van de twintigste eeuw. De expositie opent met een vroege reis van Israels naar de Belgische Borinage: net als Vincent van Gogh enkele jaren eerder, is hij door schrijver Émile Zola geïnspireerd om daar het zware leven van de mijnwerkers vast te leggen. Daarna, zie je in de expositie, verschuift zijn blik naar het mondaine leven. En misschien wel het meest opvallend: de Eerste Wereldoorlog schittert in Israels werk door afwezigheid.