Hun zeggingskracht was altijd al groot, maar nu lijken deze kunstwerken uit de jaren twintig ineens wel erg goed in de tijd te passen. Otto Dix met zijn schilderij Die Skatspieler (1920), die grotesk uitgebeelde oorlogsinvaliden aan de speeltafel, George Grosz met zijn weergave van armoede en grootkapitaal in Grauer Tag (1921), en – natuurlijk – regisseur Fritz Lang met een scène uit Metropolis (1927), de iconische film over het futuristische leven in het jaar 2026.
Ruin und Rausch, ruïne en roes, heet de nieuwe expositie in de Neue Nationalgalerie in Berlijn, en eigenlijk zijn deze twee zaaltjes veel te klein om een van de spannendste periodes van de Duitse kunst samen te vatten: de tijd van de Republiek van Weimar, de onstuimige eerste Duitse democratie direct na de Eerste Wereldoorlog. Ook de aanleiding klinkt niet erg urgent: de Neue Nationalgalerie wordt verbouwd, en omdat dat langer duurt dan gepland, zijn hier de highlights van de vaste collectie, aangevuld met bruiklenen, bij elkaar gezet.
Otto Dix, ‘Die Skatspieler’, 1920. Foto Jörg P. Anders / VG Bild-Kunst Bonn
Maar ondanks de kleine oppervlakte krijgen die highlights wel een pakkende extra laag erbij, dankzij de thematische indeling, gericht op het paradoxale levensgevoel van toen. Als een tijd van extreme tegenstellingen, van excessen die uiteindelijk tot een onherroepelijke ondergang lijken te voeren, zo wordt de tijd in de Neue Nationalgalerie symbolisch ingevuld. Het waren de jaren dat Berlijn in korte tijd een internationale metropool werd, aangevuurd door nieuwe industrie en baanbrekende kunst, maar ook steeds meer verscheurd door politieke polarisatie: „Bevrijdend en beangstigend, chaotisch en innovatief, glamoureus en onheilspellend tegelijk”, zo staat het in de tekst van de tentoonstelling.








