Kun je je als kunstenaar onttrekken aan het kunstsysteem? In Paulo Nazareths korte film Para que No Encuentren Mis Huellas en el Desierto (Zodat ze mijn voetstappen in de woestijn niet kunnen vinden, 2012) zit de kunstenaar, jawel, in de woestijn. Hij pielt aan zijn verweerde flipflops, en bindt met moeite een bosje kale, droge takken aan de achterkant. Dan loopt hij. En zien we: de takken wissen zijn sporen in het zand – kijk, Paulo Nazareth is hier nooit geweest.

„Weet je wat het is?”, zegt Nazareth (Brazilië, 1977) – we spreken elkaar per video, hij in het Braziliaanse Belo Horizonte, ik in Amsterdam, maar zijn scherm staat uit, waardoor hij, nou ja, onzichtbaar is – „als ik door Amerika reis, of dat nu Noord of Zuid is, de politie houdt me voortdurend aan. Omdat ik niet wit ben. Witte Amerikanen en Europeanen hebben daar weinig last van de politie, maar heeft je huid een kleur, dan moet je voortdurend op je hoede zijn. Zeker als ze, zoals bij mij, je afkomst niet kunnen thuisbrengen. Soms lijkt het wel of mijn uiterlijk tijdens mijn reizen elke dag verandert. In de Verenigde Staten ben ik vooral een potentieel gevaar, in Afrika of Azië vragen ze steeds: heb je drugs? Daar ben ik de narco man.” Hij lacht luid. „Ik heb al in héél veel van die onderzoekkamertjes van de politie gezeten. Dus ik verdwijn. Wis m’n sporen.”