Laatst moest ik voor een festival een korte bio aanleveren zodat die als aankondiging op de website kon worden gebruikt. Ik begrijp nooit waarom opdrachtgevers je vragen een korte bio aan te leveren die ze zelf ook van websites kunnen plukken, van festivals waar je al een keer eerder bent geweest. Het lijkt me bij uitstek de taak van een festivalorganisator om zelf de bio te copypasten, maar goed. Ik ging naar zo’n biootje, kopieerde dat en stuurde hem bijna ongelezen door, tot mijn oog viel op de regel: ‘Ze schrijft vaak kritisch over de bio-industrie’.

Volgens de Van Dale is bio-industrie fok­ke­rij in het groot „ge­ken­merkt door een ver door­ge­voer­de me­cha­ni­sa­tie”.

Ik zie heus wel wat diereneters doen wanneer ze zeggen dat ik tegen de bio-industrie zou zijn. Dat maakt mijn veganistisch verzet tegen het uitbuiten van dieren alleen geldig als die in het groot plaatsvindt met behulp van ver doorgevoerde mechanisatie, en dat is niet zo. Uitbuiten kan in het groot en in het klein, zelfs een-op-een. Het kan biologisch, scharrelend of met hartjes en sterren op het etiket.

Lieden die je in de hoek rommelen van ‘tegen de bio-industrie’ eten meestal zelf nog wel dieren of drinken hun moedermelk. Ze weten hoe wreed en onnodig die is en doen alsof je dat kunt wegpoetsen door keurmerken te kopen. „Ja, de bio-industrie, die is slecht, maar als ik mijn stuk vlees bij de ambachtelijke, peperdure slager haal, kan niemand daarop tegen zijn.”