Het lijkt een eeuw geleden, toch is het pas een jaar: de val van het kabinet-Schoof. Na elf maanden ‘regeren’ had Geert Wilders er op 3 juni 2025 geen zin meer in. VVD, NSC en BBB bleven beteuterd achter.

De tijd van gratis bier uitdelen moet nu echt voorbij zijn, schreef ik na de val. Politieke partijen moesten stoppen met beloven dat alles tegelijk kan: meer woningen, goedkopere zorg, meer defensie, betere natuur. Zonder dat ook maar één sector hoeft in te schikken of Nederlanders het voelen in de portemonnee. Dat kan niet. Er zijn simpelweg niet genoeg arbeidskrachten, er is niet genoeg ruimte om al die beloftes waar te maken.

Ik kreeg wat ik wilde. Een jaar later zit er alweer honderd dagen een kabinet dat geen gratis bier uitdeelt. Dat moeilijke keuzes maakt (versoberingen in de zorg en de sociale zekerheid), en geen stroop om de mond van kiezers smeert. Niet in het regeerakkoord en niet tijdens de eerste grote test: de energiecrisis door de oorlog tegen Iran. Ondanks grote druk vanuit de radicaal-rechtse oppositiepartijen en de SP, vanuit bedrijvenverenigingen en vakbonden, kwam het kabinet met een sober steunpakket, precies zoals economen adviseerden.

Toch hoorde ik deze week overal negatieve recensies van het kabinet-Jetten (D66, VVD, CDA). Het minderheidskabinet krijgt weinig voor elkaar, jaagt de vakbonden tegen zich in het harnas door een afspraak uit het pensioenakkoord te laten vallen. De coalitie stelt zich op als een meerderheidskabinet. Ze heeft onderlinge afspraken gemaakt over bezuinigingen die onwrikbaar lijken. En het kabinet is geen eenheid, de VVD gedraagt zich als een oppositiepartij.